|
Soneto VI En los bosques, perdido, corté una rama oscura y a los labios, sediento, levanté su susurro: era tal vez la voz de la lluvia llorando, una campana rota o un corazón cortado.
Algo que desde tan lejos me parecía oculto gravemente, cubierto por la tierra, un grito ensordecido por inmensos otoños, por la entreabierta y húmeda tiniebla de las hojas.
Pero allí, despertando de los sueños del bosque, la rama de avellano cantó bajo mi boca y su errabundo olor trepó por mi criterio
como si me buscaran de pronto las raíces que abandoné, la tierra perdida con mi infancia, y me detuve herido por el aroma errante.
Sonnet VI
Verdwaald in het woud sneed ik een zwarte tak af en bracht zijn gefluister naar mijn dorstige lippen: was het de stem van de regen die weende, een klok die barstte of een hart dat brak.
Iets van heel lang geleden verscheen me opeens, tot dan toe verbogen, onder aarde bedolven, een schreeuw gesmoord door de grootse herfsten en de halfslachtige, natte nacht van de bladeren.
Toen ik later ontwaakte uit mijn plantaardige droom ging de hazelaartak met mijn mond aan het zingen en zijn speurende geur drong binnen in mijn geest.
net of vergeten wortels me plotseling weer vonden, het land voorbijgegaan met mijn kinderjaren, en ik stond daar, door die vluchtige geur gewond.
Pablo Neruda
|